Wet ‘gesloten coffeeshopketen’

Op dit moment ligt de wet ‘gesloten coffeeshopketen’ op initiatief van Vera Bergkamp (D66) voor in de Senaat. Op 18 april 2017 werd een eerste schriftelijke vragenronde over het wetsvoorstel behandeld, die dus het gedogen van de teelt t.b.v. de gedoogde verkoop betreft, aangezien er een 77:72 stemming in de Tweede Kamer aan vooraf ging. Het ‘hart’ van de regulering, de kwaliteitscontrole van cannabis voor de gedoogde verkoop, zal middels een AMvB (Algemene maatregel van bestuur) nog verder vorm gegeven moeten worden en aan de beide kamers worden voorgelegd. Een ambtenaar bij de VGP-directie van VWS, die deze AMvB m.b.t onder andere kwaliteitscontrole vorm zal geven, geeft aan daartoe eerst de kaders van het debat af te wachten.

Er is een scenario dat de wet ‘gesloten coffeeshopketen’ het niet zal redden in de Senaat:

-Ten eerste omdat er politiek gezien geen kamermeerderheid voor is, veel zal wat dat betreft uiteindelijk bij stemmingen afhangen van de VVD-fractie onder woordvoerderschap van M.A.J Knip. Het is niet ondenkbaar dat het initiatiefwetsvoorstel op de plank zal blijven liggen. Als het wetsvoorstel het wel mocht halen, zullen de beide kamers zich nadien nog over ‘het haakje’ in de wet m.b.t. de uitwerking van de praktische uitvoering en handhaving via de AMvB moeten buigen.

-Ten tweede is er een juridisch probleem met ‘wettelijk gedogen’ van de cannabisproductie. Het gedoogbeleid waarbij de verkoop van kleine hoeveelheden cannabis via de coffeeshop wordt gedoogd, toegestaan onder de AJOGH-I, criteria is gestoeld op een uitvoeringsregeling via de aanwijzing Opiumwet op basis van het opportuniteitsbeginsel van het Openbaar Ministerie. De teelt die gedoogd zou moeten worden, verloopt echter niet via de aanwijzing Opiumwet onder richtlijn van de Procureurs Generaal, maar via een gedoogbeschikking voor telers via het Ministerie van VWS, waarbij bovendien nog de lokale overheid het gewenste volume t.b.v. de verkoop aan VWS dient aan te geven. VWS dient er zorg voor te dragen dat er voldoende ‘wettelijke beschikkingen’ voor de gedoogde teelt van cannabis worden verstrekt. Over een wettelijk gedogen heeft de Raad van State (RvS) zich bovendien nog niet gebogen. Hier heeft de VVD fractie in de Senaat wel inmiddels vragen over gesteld. Bij de eerste ronde van het wetsvoorstel waarover de RvS zich uitsprak, ging het over gereguleerde legalisering en niet het gereguleerd gedogen ten aanzien van de bevoorrading van gedoogde coffeeshops.

-Ten derde is er een probleem m.b.t. de juridische status van gedoogd gekweekte cannabis voor een valide kwaliteitscontrole, gelet op de beantwoording van raadsvragen van fractie Smolders in Tilburg: “Maar zo lang cannabis nog steeds op lijst 2 van de Opiumwet als verboden softdrugs staat opgenomen, kan de overheid (College van B&W) de coffeeshophouder niet verplichten/faciliteren in het testen van de cannabis. Zodra cannabis legaal wordt en dus uit de Opiumwet verdwijnt, kan de overheid eisen stellen aan wat er bij de verkoop wel of niet vermeldt dient te worden over de kwaliteit van het product. Nu wordt de verkoop slechts gedoogd en is het op eigen risico van de gebruiker welke soort cannabis hij koopt”.

Wat echter hierbij door de gemeente Tilburg niet in ogenschouw wordt genomen, is dat door de handhaving op de wet Camulet door representatieve bemonstering naar het lab, inclusief daartoe de intrinsieke gecontroleerde teelt t.b.v. de wetenschappelijke kwaliteitscontrole de facto legaal is, voor deze met etiketinformatie wordt verstrekt t.b.v. de gedoogde verkoop onder het gedoogbeleid vanuit het hogere volksgezondheidsdoel van de scheiding der markten. Voor wat betreft het wietwetsvoorstel is de vraag hoe het probleem met de nog steeds illegale status van gedoogde geteelde cannabis en de legale status van een lab met opiumontheffing, die nodig is voor het valide testen van cannabis t.b.v. valide etiketinformatie bij de gedoogde verkoop via coffeeshops, opgelost zal dienen te worden.

Het borgen van kwaliteitscontrole bij een valide voorlichting naar de cannabis-consument onder onderzoek Realisatie Camuletbeleid is vanuit wet Camulet het intrinsieke vertrekpunt om vanuit een volksgezondheidsbelang te kunnen komen tot verantwoorde cannabis-consumptie.

De ontwikkeling van Camuletbeleid is niet primair gericht op de teelt te reguleren, maar is eerder een afgeleide van de kwaliteitscontrole om verantwoorde voorlichting en preventie m.b.t. cannabis te kunnen borgen vanuit het hogere doel van de volksgezondheid. Het vertrekpunt van het gedoogbeleid in 1976 was ook een hoger volksgezondheidsdoel van de scheiding der markten, waarbij burgers via de gedoogde verkoop van softdrugs gevrijwaard konden worden van de verkoop van harddrugs, die veel schadelijker is voor de volksgezondheid.

Het motief bij het wetsvoorstel ‘gesloten coffeeshopketen’ is het doorontwikkelen van het gedoogbeleid om uit de impasse van de gedoogde voor- en klandestiene achterdeur te kunnen komen. Niet alleen de gedoogde verkoop op basis van richtlijnen uit de aanwijzing Opiumwet, maar ook het terrein van de productie en de bevoorrading van cannabis voor de gedoogde verkoop zouden dan onder gedoogrichtlijnen vallen, waarbij er nog wel een strafbaarheid is t.a.v. de productie van cannabis voor de gedoogde verkoop, maar er geen actief opsporingsbeleid meer geldt, behalve bij overtreding van de gedoogrichtlijnen. Kwaliteitscontrole van cannabis vanuit gedoogde kweekcontext zal echter bij het wetsvoorstel nadien via een AMvB nog nader vorm gegeven moeten worden en behoort dus niet tot de eerste stappen naar regulering. Daarentegen valt onder wet camulet-research de gecontroleerde productie, etikettering en bevoorrading onder de werkingssfeer van een opiumontheffing en blijft alleen de verkoop van cannabis gedoogd onder richtlijnen van de aanwijzing Opiumwet. Zowel bij de wet camulet-‘aanvliegroute’ via wetenschappelijk onderzoek onder een opiumontheffing, als het wetsvoorstel via kweek-gedoogbeschikkingen, valt de inzet voor een geloofwaardig cannabisbeleid als een gemeenschappelijke noemer te ontwaren, alleen geeft de wetenschappelijke aanvliegroute de gecontroleerde productie van cannabis op basis van een ontheffing dus juridisch een stevigere verankering dan onder een gedoogbeschikking (conform persoonlijke communicatie mr. Tim Vis).

-Bij de VNG-vergadering in de Haarlemmermeer op 8 juni 2016 stemden 89,5% van de gemeenten voor de conclusies uit het rapport ‘Het failliet van het gedogen’ dus voor een update van het huidige cannabisbeleid, waarbij het item van de bestuurlijke geloofwaardigheid ook aan de orde is (Meester, 2015 https://vng.nl/files/vng/rapport_werkgroep_cannabisbeleid_20151119.pdf). De VNG heeft bepleit dat bij de kabinetsonderhandelingen expliciet ruimte voor lokale experimenten met regulering van de wietteelt zou moeten worden gemaakt. Onduidelijk is echter welke rol en betekenis het cannabisdossier bij de kabinetsonderhandelingen in zal nemen ten aanzien van de expliciete VNG-referentie naar het failliet van het gedoogsysteem. Zal de fractie van de VVD duidelijkheid verschaffen hoe nu precies ‘slimmer reguleren’ concreet in de praktijk volgens hen zou moeten worden vormgeven n.a.v de aangenomen motie op het laatste VVD congres? Duidelijk is wel dat dit thema de aandacht heeft en diverse private organisaties aan het voorsorteren zijn om een rol van betekenis te kunnen krijgen bij de regulering van de cannabisproductie. In de landelijke politiek is via een motie van de SP reeds eerder verzocht om een scenario m.b.t. regulering van de cannabisproductie. Maar ook in de lokale politiek zijn diverse moties en debatten aan dit onderwerp gewijd, en zijn duidelijke standpunten ingenomen, zoals Van der Laan die met regulering van de cannabisteelt ‘niet de deuren voor de commercie open te willen zetten’ als argument noemde. LeLi Holland gaat ervan uit onder een coöperatief model ook zonder het wetsvoorstel (of standpunt van een nieuwe coalitie over regulering) vanuit de juridische mogelijkheden die Opiumwet 3b lid 2 geeft een handreiking aan gemeenten te kunnen bieden m.b.t. het ontwikkelen van deugdelijk cannabisbeleid, ook als het geen Joint Regulation gemeente (https://www.voc-nederland.org/2016/11/aantal-joint-regulation-gemeenten-nu-op-61/) betreft en/of er geen motie m.b.t. regulering is aangenomen.

Vanuit wet camulet-kader en het ontwikkelen van Camuletbeleid worden alle handelingen t.b.v. een gecontroleerde achterdeur door de opiumontheffing-context op drievoudige gecontroleerde wijze de facto gelegaliseerd i.v.m. het borgen van de wetenschappelijke methodiek voor de valide kwaliteitscontrole van de cannabis en de daartoe intrinsieke gecontroleerde teelt van bekende kweek herkomst. De valide kwaliteitscontrole staat ten dienste aan valide voorlichting/preventie voor de consumptie van cannabis en dus het borgen van het hogere volksgezondheiddoel met de scheiding der markten. Bij de aanvraag van een opiumontheffing is een vereiste dat er een rechtsvorm is. Een rechtsvorm die geschikt is om de methodiek van valide bemonstering te borgen voor deugdelijke labanalyses m.b.t. een gecontroleerde wijze van bevoorrading van coffeeshops met etiketinfo en te stroomlijnen is de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij; een onderneming die als doel heeft een maatschappelijk probleem aan te kunnen pakken.

De aanpak die wij voor ons zien is gericht op praktijkonderzoek, waarbij maatschappelijke gevolgen vanuit het volksgezondheidsbelang met de scheiding der markten op de voorgrond komt, dat is immers het vertrekpunt geweest van het gedoogbeleid in 1976. Bij de inventarisatie vanuit diverse overheidsafdelingen zoals de Scenarioverkenning bij mogelijke wijzigingen in het cannabisbeleid aangeeft, is de onderzoeksvraag echter louter gericht op de handhavingsimpact vanuit overheidswege, en dus niet op de maatschappelijke impact binnen een gemeentelijke context hierbij, zoals beleid dat vorm gegeven is vanuit de juridische kaders van een specifiek opiumwetsartikel of een volksgezondheidsbelang, laat staan kwaliteitscontrole door gecontroleerd geteelde, geëtiketteerde cannabis als vertrekpunt.